‘Pakken pakken,’. Ze strekt haar tweejarige armpjes naar me uit. ‘Ik ga je direct pakken,’ zeg ik terwijl ik met de ene hand in de pot met groentjes roer en met de andere het vuur onder het vlees wat lager draai. ‘Pakken. Kijken,’ zegt ze nog eens. Dwingender nu. ‘Ja, schat, je mag straks kijken, maar ik moet eerst even de aardappelen afgieten.’ Deze wachttijd duurt haar te lang. Terwijl ik de aardappelen afgiet, smijt ze zich op de grond en kruipt luid huilend van me weg naar de woonkamer. Frustratie en schuldgevoel kloppen bij me aan.

Ik wilde haar echt pakken en mee laten kijken, maar ik kan nu eenmaal niet tegelijk ook de aardappelen afgieten. Het huilen houdt aan en in de speelhoek hoor ik allerlei speelgoed op de grond ‘vallen’. Ik houd even halt en haal bewust adem. Voel hoe moe ik ben en hoe dit conflict frustratie in me wekt. Maar ik voel ook mijn grote liefde en mijn begrip voor haar. Mijn verlangen om er voor haar te zijn, mijn verlangen naar relatie.

Ik draai het vuur onder het vlees wat lager en ga naar haar toe. Ik leg mijn hand op haar rug en zeg haar dat ik begrijp dat ze boos is, dat ik begrijp dat ze gepakt wilde worden en mee wilde kijken. Dat ik dat ook wilde doen, maar dat het even niet zo snel lukte doordat ik aan het koken was. Ik zeg haar dat ze boos mag zijn en dat ik haar er niet minder graag om zie, maar dat ik niet wil dat ze met speelgoed gooit, dat het daar stuk van gaat. Met nog betraande ogen kijkt ze me beteuterd aan. ‘Kom eens hier, lieve schat,’ zeg ik dan. Even aarzelt ze, maar kruipt dan toch in mijn armen. Ik geef haar een dikke knuffel en voel mijn liefde stromen, tevreden dat dit ‘conflict’ weer is opgelost.